Introductie

Welkom op mijn site. Hier staat een overzicht van mijn interesses en achtergrond.

Ik ben Jacqueline van Dooren, 28 jaar en woon in Lisse. Ik ben raadslid en senior medewerker klantenservice bij NRC Media. Ik sta voor een efficiënte manier van werken en leven waarbij we aandacht hebben voor onze impact op elkaar en op het milieu. Niet meer doen en gebruiken dan nodig is!

 

Ik ben in 2012 afgestudeerd in de Master ‘Conflicts, Territories & Identities’ (Radboud Universiteit Nijmegen) waarin oorlog en vrede centraal stonden. Ik ben op zoek naar een baan waarin ik mijn idealen, die ik hieronder uitleg, kan verwezenlijken. In de tussentijd heb ik mijn professionele carrière op de rit gezet bij NRC Media, uitgever van NRC Handelsblad en nrc.next. Hier zet ik me in voor een efficiënte afdeling met persoonlijke aandacht voor de klant. Ik verbind de lezer met de uitgeverij en redactie bijvoorbeeld via het Lezerspanel dat ik heb opgericht met 3 collega’s. Ik assisteer daarnaast bij NRC Webwinkel en de evenementen van NRC Live. En ik heb mijn eerste reorganisatie geleid door de klantenservice van NRC Webwinkel samen te voegen met de algemene klantenservice. Inmiddels word ik geacht en wordt er gewaardeerd dat ik meedenk en -werk aan een efficiëntere afdeling en dit geeft mij voldoening. Het kan immers altijd beter….

Ook in mijn directe omgeving denk ik dat het beter kan. Bollendorp Lisse is heerlijk om te wonen, maar, loopt het risico te vergrijzen, of een slecht bereikbare suburb te worden waar geen werk te vinden is. Ook is de gemeente pas net begonnen met enig beleid gericht op duurzaamheid. Dit kan beter! In mijn functie als raadslid (D66) stuur ik hier op aan. Grote veranderingen beginnen immers klein en dichtbij.

Mijn studiekeuze ‘Conflict Studies’ is tot stand gekomen doordat ik denk dat mensen in oorlog in de meest erbarmelijke situatie verkeren en ik vind dat hier iets aan gedaan moet worden. Zeker gezien onze luxe positie in Nederland, en ons aandeel in het ontstaan van de wereldwijde ongelijkheid. Naarmate de studie vorderde begon ik het ook steeds interessanter te vinden hoe oorlog tot stand komt, waarom mensen dit elkaar aan doen, en hoe de aanloop naar een oorlog dus te signaleren is. De nadruk ligt voor mij nog steeds op de oplossing van conflicten, maar hiervoor heb je ook veel aan de inzichten in de oorzaken van deze conflicten. Dergelijke theorieën heb ik toegepast in mijn eindscriptie over de Arabische Lente in Bahrein. Om een goede masterscriptie te schrijven ben ik ook naar Bahrein afgereisd, middels een stage bij de Nederlandse ambassade in Koeweit (ook verantwoordelijk voor Bahrein). In deze stage kwamen ook mijn andere interesses in de internationale samenwerking volledig aan bod.

Naast dit project in Koeweit en Bahrein ben ik verder op zoek gegaan naar de praktijk van mijn werkveld. Ik heb veel gereisd, langere tijd in een ontwikkelingsland geleefd (India) en deelgenomen aan een uitwisselingsproject naar de Balkan waarin we ons hebben verdiept in de conflicten. Ook heb ik gewerkt bij een NGO die bezig is met een voortdurende geweldloze strijd tegen onderdrukking van Tibet. Via ontmoetingen met allerlei mensen en instanties, van de VN tot de Navo en EU, de Nederlandse overheid, en NGOs, heb ik een duidelijk beeld van mijn werkveld.

Door al deze ontmoetingen heb ik de wereld beter leren begrijpen. Ik heb geleerd dat ter plaatse kijken en praten met direct betrokkenen van onschatbare waarde is. Niet alleen voor de feiten maar vooral ook voor het wegen en invoelen. Hierdoor kan ik mij beter in anderen verplaatsen. Veel clichés – zoals dat samenwerken, wederzijds respect en vooroordelen wegnemen bijdragen aan een vreedzame samenleving – ben ik beter gaan begrijpen; het zijn niet langer holle begrippen. Ieder mens heeft vooroordelen, ieder mens lijdt op zijn of haar manier en wil hier begrip voor. Van Noord-Ierland tot India denken wij hier hetzelfde over, maar toch loopt het door omstandigheden mis.

Ik zie, naast geld doneren en/of werken voor NGOs nog drie duidelijke oplossingen.

Het eerste betreft consumenten overal ter wereld. In India leef je dichter bij de basis. Je ziet hoe je eten groeit op de akkers, als je vlees hebt die dag zie je de dode geit nog hangen, kleren worden voor je neus gemaakt of aangepast en je hebt niet altijd toegang tot (schoon) water. Het is begrijpelijk dat de wereld zich zo heeft ontwikkeld, maar eigenlijk is het de keuze van de consument om te kiezen voor producten die te goedkoop, of door kinderen gemaakt zijn, al dan niet met hulp van giftige stoffen. Ik denk dat hier veel behaald kan worden om de ongelijkheid in de wereld te verkleinen.

Het tweede punt is het belang van jongeren. Ik heb veel grote organisaties en kleine initiatieven gezien die iets willen veranderen. Ik zie daarbij een belangrijke rol weggelegd voor jongeren, zowel in ontwikkelingslanden als hier. Mensen kennen hun eigen land en de manieren waarop de beslissingen worden genomen het best. Jongeren zijn de toekomst en moeten daarom zelf kunnen meebouwen aan de toekomst die zij zien weggelegd voor hun land.  Jongeren van hier kunnen daarbij helpen en er heel veel van leren, om dit vervolgens weer toe te passen in hun eigen wereld.

Het derde en laatste punt is een efficiënter systeem van ‘hulp’. Nederlanders zijn grotendeels terecht kritisch over ontwikkelingshulp. Private initiatieven neigen naar onprofessionaliteit en korte termijn projecten; kleine organisaties kennen soms slecht bestuur; grote organisaties zijn log en hiërarchisch waardoor veel donateursgeld verloren gaat. Hoewel er zeker uitzonderingen op deze regel zijn, en er ook ongelooflijk veel goeds gebeurt dankzij deze organisaties, denk ik dat we zeker ons systeem kunnen verbeteren. Het kan en moet beter om het vertrouwen van donateurs niet te beschamen, en omdat ontwikkelingshulp geen leuk extraatje is maar levens drastisch kan veranderen, zowel positief, als ook negatief. Doordacht beleid is hiervoor cruciaal. Dit kan mijns inziens door ons meer te richten op de oorzaken in plaats van de symptomen over ongelijkheid, bijvoorbeeld bovengenoemd consumptiepatroon; door verbinding met het bedrijfsleven, aangezien het zeker ook in hun belang is dat landen ontwikkelen en stabiel zijn; door overheden lange termijn projecten te laten steunen gericht op onderwerpen die voor Westerse donateurs niet “sexy” zijn; en door NGOs te laten voldoen aan strenge normen.

 

Het draait volgens mij allemaal om samen (willen) werken. Om echt problemen op te lossen en echt te helpen moet je de samenwerking opzoeken en met beide benen op de grond blijven staan. Daar zouden wij Nederlanders dus heel goed in moeten kunnen zijn.

Geef een reactie

Your email address will not be published.